Ik voelde me net een druppel ijswater op een gloeiende plaat. Ik ken de stress van een volle wachtkamer, maar de rij aanmeldingen deze dag, oversteeg al onze superkrachten. Wat dom om te denken dat ik misschien wel een verschil kon maken in Afrika.

Het was vreselijk warm. Ik had al drie liter water gedronken en niet één keer geplast. Een waterval aan zweet kletterde uit het uiteinde van mijn protexis handschoenen. De ramen bevatten geen glas, maar er was geen zuchtje wind te bekennen om de huid in mijn nek te verkoelen. Ik haalde een keer diep adem en proefde een zure smaak achterop mijn tong. Ik hoopte dat ik niet moest braken. Mijn maag was nog steeds niet aan dit klimaat gewend.

Twee bruine ogen keken mij aan. Er stond een onzekerheid in geschreven voor een totaal vreemde, blanke vrouw die ze voor het eerst zag. Haar volle lippen verroerden zich niet. Ik vermoedde dat ze geen Engels sprak. Ze klemde een stukje papier tussen haar vingers, hoopvol, alsof het haar meest kostbare bezit was. Terwijl ik het voorzichtig aannam was ik mij hyperbewust van mijn verlangen om iedereen de beste zorg te geven.

Iets wat fucking moeilijk was vandaag. Het nieuws dat er gratis mondzorg werd verleend was als een lopend vuurtje rondgegaan en de toestroom van patiënten was hoger dan we aankonden. Om iedereen te kunnen helpen was noodgedwongen besloten dat we de behandeltijd tot een minimum moesten beperken. Er werden geen grote vullingen meer gelegd en niet meer tanden getrokken dan acuut medisch noodzakelijk was. Een duiveltje met een zweep bracht de hele dag al slagen uit op mijn schouders.

Ik trok mijn mondmasker naar beneden en probeerde de jonge vrouw met een glimlach gerust te stellen. Onder het geluid van oververhitte generatoren en huilende kinderen probeerde ik een moment persoonlijk contact te maken.

‘Amina,’ las ik haar naam voor van het papier en wees naar haar. Ze glimlachte. Ik wees naar mezelf. ‘Domi.’

‘Domi,’ herhaalde ze voorzichtig. Ik had op mijn eerste dag al ervaren dat Dominique te moeilijk was om uit te spreken, maar ik moest nog steeds wennen aan mijn nieuwe verbastering. Ik knikte bemoedigend. Ik keek weer naar het papier, dat mij vertelde welke behandeling ik bij haar moest uitvoeren.

Het duiveltje op mijn schouder sloeg juichend een kreet uit en begon fanatiek op mij in te hakken. Pijn trok door mijn schouders en ik kromp in elkaar. Ik moest de 21 verwijderen, want ze had pijn.

Ze moest iets op mijn gezicht hebben gezien en denken dat ik het niet begreep, want ze tilde vragend haar hoofd op en trok haar bovenlip aan de kant. Uitgebreide cariës profunda, minstens een drievlaksvulling dan wel een complete opbouw waardig. Maar geen pulpa expositie en geen fisteling.

Het verwijderen van deze tand betekende een blijvend gat in haar tandenrij. Hier in Afrika kreeg ze geen prothese of brug. Ik zou de glimlach van een jonge, aantrekkelijke vrouw permanent verminken. Was ze getrouwd? Was een mooi gebit hier een standaard van schoonheid? Mijn geweten vocht zo hard, dat het fysiek nog steeds voelbaar was. Ik draaide mijn schouders, alsof ik het schuldbewuste gevoel van me af wilde schudden.

Nieuwe patiënten schuifelden in rijen naar binnen. Pijn. Ontstekingen. Problemen met eten. Het was een zee van witte papiertjes. Mensen wrongen zich door de deuropening naar buiten. Door de manier waarop hoefde ik het niet eens te zien om te weten dat de ruimte buiten helemaal vol stond. Teveel werk voor te weinig zorgverleners in te weinig tijd. Het besef dat je werk waarschijnlijk het grote verschil niet gaat maken, kwam hard aan.

Maar jouw verschil zit tussen nul en één. De woorden van mijn vriend drongen zich aan mij op. Het is een zin waar hij me voor vertrek honderden keren mee doodgooide. Amina en ik staarden elkaar zwijgend aan en voor even beeldde ik me in dat ik alleen met haar in een kamer was. Misschien moest ik niet proberen om het verschil voor Afrika te maken, misschien was het verschil voor één persoon genoeg.

Ik besloot de regels te negeren en stootte mijn collega tandarts naast me aan.

‘Ze heeft een vulling nodig, geen extractie. Kun jij dat doen?’ Door mijn toon had hij geen uitleg nodig om te begrijpen wat ik vroeg. In de vier dagen dat we samen aan het werk waren, hadden we elkaar genoeg leren kennen om op elkaar te rekenen. Hij keek niet eens naar zijn wachtrij en gebaarde dat ik haar van stoel moest laten wisselen.

Even later liep Amina naar buiten. Ze had een stralende glimlach op haar gezicht en zwaaide naar ons.

Een druppel op een gloeiende plaat. Maar het was me alles waard.