Diepblauwe ogen. Een verweerde huid met een klein overschot aan oogleden. Dat is het eerste dat me opvalt als hij in de stoel komt zitten. Als hij lacht, vloeien zijn rimpels samen als golven op een onstuimige zee. Sinds hij is binnengekomen en zijn naam heeft gezegd, stelt hij zich zwijgzaam op, maar de sporen in zijn lichaam schreeuwen een verhaal.
Ik tast het begin van het consult altijd af. Bij plekjes in de mond is de verkeerde toon zo gezet: Een te luchtige houding bij iemand die vreest voor het ergste, maakt je de ongeïnteresseerde specialist. Te serieus bij iemand die niets vermoedt, zaait soms onnodig angst. Ik begin niet gelijk te praten en kijk de beste man een tijdje aan, maar hij laat niets los.
‘Geeft het je klachten?’ besluit ik maar neutraal te beginnen.
‘Nee,’ antwoordt hij rustig. ‘Maar ik kan niet goed verklaren waarom het er zit. Mijn kunstgebit zit er niet tegenaan.’
Onder zijn tong zit een kleine zweer. Hoewel de kern er als een gemene aft uitziet, geeft hij geen kik als ik er met mijn vinger aanzit. Of het door het gebit komt, dat kan ik niet helemaal met zekerheid zeggen. Hij zegt dat het is gecontroleerd, ik geloof hem. Ik weet ondertussen nog steeds niet of hij zich zorgen maakt, maar het houdt hem dus al een tijdje bezig en hij is langs andere zorgverleners geweest. Dat maakt mijn volgende vraag minder beladen: ‘Maak je je zorgen?’
Hij haalt zijn schouders op, kijkt mij met die blauwe ogen aan. De rimpels verroeren zich niet. Kom op! Wat speelt er zich daarachter af? Deel het alsjeblieft met me.
‘Het is wel gek.’
Hij zegt precies wat ik denk. Het geen pijn doen zit me niet lekker. Hij heeft het nodige gerookt, drinkt af en toe, maar verder ziet het er niet uit als de typische kanker. Met mijn ervaring kan het net zo goed van alles zijn. Is het niet gewoon een drukplek van het gebit? Mijn onderbuikgevoel zegt dat ik het wil onderzoeken, maar ik wil hem niet onnodig ongerust maken. Ik ben eerlijk, maar probeer het toch wat luchtiger te brengen: ‘Het heeft niet direct de kenmerken van een erge ziekte, zoals kanker –‘ ik wil het woord toch benoemen, ‘– maar ik wil het wel onderzoeken, zodat we beiden weten waar we aan toe zijn.’
Aansluitend aan het gesprek neem ik een biopt. Ik regel dat de uitslag niet te lang op zich laat wachten. Een week later zie ik hem terug.
Hij komt alleen. Met dezelfde rust en gereserveerdheid neemt hij tegenover mij plaats. Ik meen dat de rimpels op zijn gezicht dieper zijn dan vorige keer, of spiegel ik nu mijn eigen gevoelens? Er ligt een rottende baksteen op mijn maag. De woorden die ik ga zeggen vallen mij zwaar.
‘Ik ben dankbaar dat we het biopt genomen hebben.’ Ik wilde bijna blij zeggen, maar dat is een stomme woordkeuze. ‘De uitslag is niet goed, u blijkt kanker te hebben.’
Er valt een klein moment van stilte en eindelijk laat hij zich zien. Zijn schouders zakken wat omlaag, de rimpels in zijn gezicht komen tot leven.
‘Ik ben er de hele week bang voor geweest,’ zegt hij zacht. ‘Het was heel moeilijk, want ik heb het met niemand gedeeld.’
Ik denk aan dat hij alleen gekomen is, hoe hij vorig bezoek zo weinig signalen gaf. Ook nu lijkt hij het nieuws alleen proberen te verwerken. Hij slaat mijn medeleven af.
‘Ik begrijp het niet, waarom gun je het jezelf niet om iemand mee te nemen?’ probeer ik nog een keer. Ik wil het begrijpen. Ik wil niet iemand in zijn eentje met deze diagnose naar huis sturen, onvoorbereid en onwetend op het traject wat nog komen gaat.
De diepblauwe ogen vullen zich met tranen. De woeste zee wordt zichtbaar. Ik zie verdriet, een kwellende herinnering. Maar ook standvastigheid, een berusting alsof deze man weet waar hij aan toe is. Hij recht zijn schouders en veegt een verdwaalde traan weg.
‘Ik heb mijn broer begraven nadat hij een stuk van zijn tong door kanker is verloren. Ik heb gezien door wat voor een ellende hij ging. Hoe hij niet meer kon eten, hoe de kanker na alle behandelingen gewoon terugkwam, hoe hij geleden heeft.
Ik kan mijn familie dat niet opnieuw aandoen. Ik wil daar niemand mee lastig vallen. Maar ik wil ook niet diezelfde weg hebben. Ik wil eerst bedenken wat ik zelf belangrijk vind in mijn leven.’
Ik heb slecht nieuws al meerdere keren gebracht, maar dit is de eerste keer dat ik het gesprek op deze manier voer. Ik besef dat deze man weet waar hij aan toe is en al stappen verder is dan ik, hij van dichtbij heeft gezien wat er uiteindelijk toe doet. Hij denkt na over wat zijn leven waardevol maakt.
Ik knik en geef een kneepje in zijn knie, waar mijn hand tijdens het nieuws is blijven liggen.
‘Ik respecteer dat en het zou ook zo moeten zijn dat jij beslist hoe je straks verder gaat,’ antwoord ik. ‘Maar ik wil wel aan je vragen of je wilt toestaan dat de artsen die kennis hebben van deze ziekte jou mogen begeleiden in je beslissing.’ Hij gaat akkoord, maar wil nog steeds niemand bellen om hem te komen ophalen. Ik kijk hem vanuit de deuropening na, terwijl hij alleen vertrekt. Zijn schouders recht, de woeste zee is gladgestreken. Zijn ogen gefixeerd op iets in het oneindige. Een verleden weggestopt in zijn omhulsel. Een man die zijn wereld onzichtbaar draagt op zijn schouders.
Ik kan er niets aan doen, er verzamelt zich een brok in mijn keel. De meeste gesprekken in de spreekkamer zijn uniek, ook als je kaakchirurg bent, maar deze zal mij niet snel loslaten.